Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Uitspraak



201305872/2/R3.

Datum uitspraak: 6 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Klimmen, gemeente Voerendaal,

2. de maatschap Maatschap [appellant sub 2A], waarvan de maten zijn [maat A] en appellant sub 2B], gevestigd te Klimmen, gemeente Voerendaal, en [maat A], wonend te Sint Geertruid, gemeente Eijsden-Margraten (hierna tezamen en in enkelvoud: de maatschap),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Voerendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en de maatschap beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en de maatschap hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2014, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [maat A], bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.L.E. Laudy, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 25 juni 2014 in zaak nr. 201305872/1/R3 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 11 april 2013 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 13 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. [appellant sub 1] en de maatschap hebben daarvan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met de zaak met nr. 201309139/1/R3 verder ter zitting behandeld op 20 maart 2015, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [maat A], bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Den Haag, en ING. H.N.J.M. Steins, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.L.E. Laudy, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het bestreden besluit, voor zover daarin niet is voorzien in de aanduiding "bijgebouwen" ter plaatse van de noordoostelijke vleugel van het gebouw op het perceel [locatie 1] te Klimmen, is genomen in strijd met de rechtszekerheid.

3. De raad heeft bij besluit van 13 november 2014 naar aanleiding van de tussenuitspraak het plan gewijzigd vastgesteld door onder meer in de verbeelding op de hiervoor bedoelde plaats de aanduiding "bijgebouwen" op te nemen.

4. Nu met het besluit van 13 november 2014 aan het beroep van [appellant sub 1] tegemoet is gekomen, heeft dit beroep, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, niet van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

5. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 11 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" is, gelet op overweging 3.2 van de tussenuitspraak, gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met de rechtszekerheid te worden vernietigd, voor zover daarin niet is voorzien in de aanduiding "bijgebouwen" ter plaatse van de noordoostelijke vleugel van het gebouw op het perceel [locatie 1] te Klimmen.

Het beroep van de maatschap

6. Het beroep van de maatschap, voor zover gericht tegen het besluit van 11 april 2013, is gelet op de overwegingen 4.3 en 5.4 van de tussenuitspraak, gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd, voor zover het betreft een gedeelte van de grens van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en het plandeel met de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" ten westen van de [locatie 2] te Klimmen, die de scheiding vormt tussen die plandelen en het perceel van de maatschap dat geen deel uitmaakt van dat besluit. Voorts dient het besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het ziet op de vaststelling van de bestemming "Natuur" ter plaatse van twee percelen ter hoogte van de [locatie 3] te Klimmen.

7. Het besluit van 13 november 2014, waarbij het plan ten opzichte van het besluit van 11 april 2013 gewijzigd is vastgesteld, wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding tussen de maatschap en de raad, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van de maatschap.

Het westelijke perceel ter hoogte van het adres [locatie 2]

8. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat zij aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een dusdanige ruimtelijke samenhang tussen het tracé ten behoeve van de aanleg van leidingen en het westelijke perceel van de maatschap ter hoogte van het adres [locatie 2] te Klimmen, dat dit perceel buiten het plangebied kan worden gelaten en dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de uitspraak, met inachtneming van de overwegingen 4.2 en 4.3 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere plangrens.

9. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht het desbetreffende perceel alsnog in het plangebied opgenomen en hieraan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegekend. Voorts is de aanduiding "bouwvlak" toegekend, die ziet op een oppervlakte van 725 m2. Hiermee is volgens de raad aangesloten bij de planologische rechten op basis van het voor deze locatie geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996 en de feitelijk bestaande situatie. Voorts heeft de raad aan een deel van de gronden de aanduiding "veiligheidszone - leiding" toegekend.

10. De maatschap stelt in de zienswijze dat het vastgestelde bouwvlak geen ruimte biedt voor de door de maatschap voorgestane bedrijfsverplaatsing. Volgens de maatschap heeft de raad niet onderzocht op welke wijze de agrarische bedrijfsactiviteiten op deze locatie planologisch kunnen worden ingepast, terwijl vast staat dat een verplaatsing van deze activiteiten noodzakelijk is en deze locatie als enige vervangende locatie in aanmerking komt.

10.1. Ten tijde van het besluit van de raad van 13 november 2014 was het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 17 juli 2013 reeds genomen. Bij dat besluit heeft het college het bezwaar van de maatschap tegen het besluit van 7 februari 2013, waarbij het college de aanvraag om een wijzigingsplan vast te stellen voor het vergroten van het agrarische bouwblok op de locatie van het Bakhuis afwees, ongegrond verklaard. Aan die afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat de vergroting van het bouwblok ter plaatse niet noodzakelijk is omdat er alternatieve locaties beschikbaar zijn voor een verplaatsing van het agrarische bedrijf van de maatschap en dat vergroting van het bouwblok op deze locatie onverenigbaar is met de kernwaarden van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201309139/1/R3 heeft de Afdeling het beroep van de maatschap tegen het besluit van 17 juli 2013 ongegrond verklaard. Uit het raadsvoorstel, dat aan het besluit van 13 november 2014 ten grondslag ligt, kan worden afgeleid dat de raad zich schaart achter het besluit van het college van burgemeester en wethouders om niet mee te werken aan een verplaatsing van het agrarische bedrijf van de maatschap naar de locatie van het Bakhuis en dat de raad met het oog hierop deze verplaatsing evenmin bij het bestemmingsplan mogelijk heeft willen maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om gelet op de aantasting van het landschap en het voorhanden zijn van alternatieve locaties bij de bepaling van de grootte van het toe te kennen bouwvlak geen rekening te houden met de door de maatschap beoogde bedrijfsverplaatsing naar deze locatie. Bij het alsnog toekennen van de aanduiding "veiligheidszone - leiding" aan het perceel heeft de raad bovendien acht geslagen op het bouwvlak; dit laatste is gelegen buiten de veiligheidszone, zodat die zone geen belemmeringen oplevert voor de bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak. Het betoog faalt.

11. De maatschap stelt in de zienswijze dat in de elektronische verbeelding aan het hiervoor bedoelde perceel de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend, terwijl uit het vaststellingsbesluit niet blijkt dat de raad hiertoe heeft besloten. Zij wijst er voorts op dat het college aan de raad een papieren verbeelding heeft voorgelegd, waarop bij de locatie van het Bakhuis een aanduiding is weergegeven die erop duidt dat de bouw van een bedrijfswoning is toegestaan. Het besluit is volgens de maatschap op dit punt in strijd met de rechtszekerheid.

11.1. Aan het perceel is in de elektronisch vastgestelde verbeelding de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend. Deze aanduiding brengt, gelet op artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder b, van de planregels met zich dat ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan. In het raadsvoorstel, dat aan het besluit van de raad van 13 november 2014 ten grondslag ligt, is opgemerkt dat voor dit perceel voor het bepalen van de bouwmogelijkheden is aangesloten bij de planologische rechten op basis van het voor deze locatie vigerende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996 en de feitelijk bestaande situatie. Niet in geschil is dat op het perceel geen bedrijfswoning aanwezig is en dat het plan uit 1996 ter plaatse niet bij recht een bedrijfswoning mogelijk maakte. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verbeelding en het vaststellingsbesluit in dit opzicht niet met elkaar overeenstemmen. Voor zover de papieren verbeelding op dit punt afwijkt van de elektronisch vastgestelde verbeelding, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening , het elektronisch vastgestelde plan beslissend is, indien de inhoud daarvan tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie. Gezien het vorenstaande is het besluit op dit punt niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog faalt.

12. De maatschap stelt in de zienswijze dat de raad onvoldoende heeft onderkend dat het niet toestaan van een bedrijfswoning leidt tot planschade, nu deze aanduiding de noodzakelijke bedrijfsverplaatsing blokkeert.

12.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Overigens maakte het vorige bestemmingsplan een bedrijfswoning niet bij recht mogelijk, maar slechts na verlening van een binnenplanse vrijstelling en is in artikel 5, lid 5.4.3, van de planregels een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van de bouw van een bedrijfswoning. Het betoog faalt.

Percelen ter hoogte van de [locatie 3]

13. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat, nu de maatschap naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de gronden in gebruik zijn voor houtteelt, de raad bij het toekennen van de bestemming "Natuur" aan de twee percelen ter hoogte van de [locatie 3] en bij het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Landschapselementen" aan een deel van één van die percelen is uitgegaan van het onjuiste uitgangspunt dat de percelen niet in gebruik zijn voor houtteelt. Voorts heeft zij overwogen dat bestaand agrarisch gebruik op gronden met de bestemming "Natuur" weliswaar is toegestaan, maar dat het kappen van bomen ten behoeve van houtteelt ingevolge artikel 13, lid 13.5, onder 13.5.1, van de planregels is verboden.

De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de uitspraak, met inachtneming van de overwegingen 5.3 en 5.4 deugdelijk te motiveren waarom de bestemming "Natuur" voor twee percelen ter hoogte van de [locatie 3] en de dubbelbestemming "Waarde - Landschapselementen" voor een deel van één van de percelen passend zijn dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

14. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht artikel 13, lid 13.5.1, onder d, en lid 13.7.1, onder d, van de planregels gewijzigd door aan het einde van de zin toe te voegen: "en behoudens bij wijze van houtteelt in het kader van bestaand agrarisch gebruik". Voorts heeft de raad aan de oostzijde van de Oliemolenstraat, ter hoogte van huisnummer [..], het bestemmingsvlak met de dubbelbestemming "Waarde - Landschapselementen" in omvang verkleind, omdat het volgens hem niet nodig is om aan gronden met de bestemming "Natuur" deze dubbelbestemming toe te kennen, nu die bestemming al de hoogste beschermingsgraad kent.

15. De maatschap stelt in de zienswijze dat de raad ten onrechte heeft nagelaten de bestemming van deze percelen te wijzigen in "Agrarisch met waarden". Volgens de maatschap moeten de percelen, indien het hout kaprijp is, in gebruik kunnen worden genomen voor de teelt van overige gewassen of de aanplant van nieuwe bomen voor houtproductie. Voorts worden de gronden gebruikt voor beweiding door runderen.

De maatschap wijst op een perceel van een derde op de hoek Groeneweg - Retersbekerweg dat eveneens voor houtteelt wordt gebruikt en dat de bestemming "Agrarisch" heeft gekregen. Volgens de maatschap is de toekenning van de bestemming "Natuur " aan haar percelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij het bestaand agrarische gebruik mogelijk heeft gemaakt, maar dat een intensivering van het agrarische gebruik door andere, intensievere teelten zoals akkerbouw of intensieve beweiding niet wenselijk is, omdat hiermee de doelstelling van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) ter plaatse wordt geschaad.

15.2. Ingevolge artikel 1, onder 1.8, van de planregels wordt verstaan onder agrarisch gebruik het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge het bepaalde onder 1.9 wordt verstaan onder agrarisch bedrijf een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt en boomkwekerijen daaronder begrepen) (…).

Ingevolge artikel 13, lid 13. 1, onder 13.1.1, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

b. bestaand agrarisch gebruik.

Ingevolge artikel 13, lid 13. 5.1, aanhef en onder d, zoals gewijzigd bij het besluit van 13 november 2014, wordt onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, behoudens bij wijze van verzorging en behoudens bij wijze van houtteelt in het kader van bestaand agrarisch gebruik.

Ingevolge lid 13.7.1, aanhef en onder d, zoals gewijzigd bij het besluit van 13 november 2014, is het verboden op of in de voor "Natuur" aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: het bebossen van gronden, behoudens bij wijze van houtteelt in het kader van bestaand agrarisch gebruik.

15.3. Voor zover de maatschap heeft aangevoerd dat aan de percelen ter hoogte van de [locatie 3] de bestemming "Agrarisch met waarden" zou moeten worden toegekend omdat dan ook de teelt van andere gewassen dan bomen voor houtproductie kan plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat intensieve vormen van agrarisch gebruik, zoals akkerbouw of intensieve beweiding, zich niet verdragen met de omstandigheid dat deze percelen zijn gelegen in de EHS. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten om aan deze percelen de bestemming " Natuur" toe te kennen en slechts het bestaande agrarische gebruik toe te staan. Het betoog faalt.

15.4. Voor zover de maatschap heeft betoogd dat de planregels zich ten onrechte verzetten tegen de aanplant van nieuwe bomen voor houtproductie nadat de bestaande bomen zijn geveld, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op artikel 13, lid 13. 5.1, aanhef en onder d, en lid 13.7. 1, aanhef en onder d, van de planregels, maakt het plan, zoals dat bij het besluit van 13 november 2014 is vastgesteld, het mogelijk dat op gronden met de bestemming "Natuur" het ten tijde van het bestreden besluit bestaande agrarisch gebruik, waaronder in dit geval houtteelt, wordt voortgezet. Dat betekent dat ook na de kap van bestaande bomen nieuwe bomen mogen worden aangeplant voor de houtproductie. Het betoog mist feitelijke grondslag.

15.5. Over de door de maatschap gemaakte vergelijking met het perceel op de hoek Groeneweg - Retersbekerweg wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat dit perceel niet is gelegen binnen de EHS. In hetgeen de maatschap heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door de maatschap genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

16. De maatschap stelt in de zienswijze dat de raad zou hebben besloten om de omvang van het bestemmingsvlak met de dubbelstemming "Waarde - Landschapselementen" ter plaatse van het oostelijk van de Oliemolenstraat gelegen perceel van de maatschap af te stemmen op de omvang van het bosje zoals dat is weergegeven op de bijlagekaart "Kleine landschapselementen" bij het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996. Volgens de maatschap is de oppervlakte in de verbeelding nog steeds te groot en komt deze met name aan de zuid- en zuidwestzijde nog steeds niet overeen met de weergave van het bosje op de genoemde bijlagekaart.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de omvang van het bestemmingsvlak met de bestemming "Waarde - Landschapselementen" weliswaar het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996 als uitgangspunt is genomen, maar dat de precieze omvang van het bestemmingsvlak is gebaseerd op een actuele inventarisatie van aanwezige bomen, waarbij de beschermenswaardigheid opnieuw is beoordeeld. Voorts zijn volgens de raad de direct aangrenzende gronden ook onder het beschermingsstelsel van deze dubbelbestemming gebracht om te voorkomen dat werkzaamheden in de directe nabijheid van het landschapselement dit element ernstig beschadigen of de verdwijning daarvan tot gevolg hebben.

16.2. Weliswaar is in het raadsvoorstel dat aan het besluit van 13 november 2014 ten grondslag ligt, vermeld dat voor het desbetreffende landschapselement de omvang van de dubbelbestemming is afgestemd op de omvang van de beschermende regeling uit het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996, maar uit de context kan worden afgeleid dat daarmee bedoeld is te zeggen dat de dubbelbestemming, anders dan in het besluit van 11 april 2013 en meer in overeenstemming met het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996, niet langer op gronden rust met de bestemming "Natuur". In het raadsvoorstel is voorts vermeld dat gebruik is gemaakt van een recente inventarisatie van de aanwezige landschapselementen. De maatschap heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze inventarisatie op onjuiste wijze is verricht of dat de resultaten daarvan op onjuiste wijze in de verbeelding zijn verwerkt. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen of in strijd is met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep van de maatschap tegen het besluit van 13 november 2014 ongegrond.

Proceskosten

18. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van de maatschap Maatschap [appellant sub 2A] en [maat A] tegen het besluit van 11 april 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Voerendaal van 11 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013", voor zover:

a. daarin niet is voorzien in de aanduiding "bijgebouwen" ter plaatse van de noordoostelijke vleugel van het gebouw op het perceel [locatie 1] te Klimmen;

b. het betreft een gedeelte van de grens van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en het plandeel met de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" ten westen van de [locatie 2] te Klimmen, die de scheiding vormt tussen die plandelen en het perceel van de maatschap dat geen deel uitmaakt van dat besluit;

c. het ziet op de vaststelling van de bestemming "Natuur" ter plaatse van twee percelen ter hoogte van de [locatie 3] te Klimmen;

III. verklaart het beroep van de maatschap Maatschap [appellant sub 2A] en [maat A] tegen het besluit van 13 november 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Voerendaal tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Voerendaal tot vergoeding van bij de maatschap Maatschap [appellant sub 2A] en [maat A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.423,08 (zegge: tweeduizendvierhonderddrieëntwintig euro en acht cent), waarvan € 1.715,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Voerendaal aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de maatschap Maatschap [appellant sub 2A] en [maat A], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Lap

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2015

288.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature